Sprookje het land van Haveren

Ooit, lang geleden woonde er een koning in Schotland. Hij was de jongste en kleinste koning van de wereld. Eigenlijk ontbrak het hem aan niets. Hij was gelukkig, was de vorst van een prachtig land, had een leuke en lieve moeder en volop dwergen en elfen om mee te spelen. Er was maar één klein ding wat er aan zijn levensgeluk ontbrak en dat was dat hij te klein was.
Vroeger had iedereen hem verzekerd dat hij heus wel zou groeien maar toen de jaren verstreken en zijn schoenen nog steeds niet te klein werden, begon hij zich zorgen te maken en ging op zoek.

Op een goede dag pakte hij zijn tas, schreef een briefje voor zijn moeder en vertrok. Hij zocht in alle winkeltjes in de stad, bezocht alle waarzeggers van het land en sprak met de wijzen van het zuiden en het noorden. Maar wat hij zocht, vond hij niet. Hij wilde zo graag een stukje groeien. Het hoefde niet eens zo veel, maar hij wilde net als ieder ander het gevoel om te kunnen groeien ervaren.
Moedeloos ging hij op de stoep zitten. Zijn kleine voeten deden zeer van het lange lopen en teleurgesteld legde hij zijn hoofd op zijn tas.
Net voordat hij zijn ogen sloot zag hij recht voor zich een grote deur met in het midden een kleine poort. En op de poort stond met gouden krullen geschreven: ‘Alleen toegang voor kleine mensen’. 
Hij sprong op, trok zijn jas en de punten van zijn kieltje recht en besloot naar binnen te gaan. Met een ferme klop kondigde hij zijn komst aan. Even leek het alsof de deur al op hem had gewacht want de zware houten klink ging vanzelf naar beneden. Binnen moesten zijn ogen even wennen aan het licht en in de hal zag hij honderden kleine mensen, net zoals hij. Iedereen was druk in de weer en niemand scheen tijd te hebben om op hem te letten. Verlegen ging hij aan een tafel zitten en een vriendelijke mevrouw bracht hem een drinknap en een reep om te eten. De reep was onverwacht heerlijk en ondanks zijn bescheidenheid verzocht hij om nog een stukje. Hij kon zich bijna niet bedwingen, zijn tong smakte en zijn lippen likten. ‘Mevrouw, ik durf het bijna niet te vragen, maar zou ik…’ Ze keek vriendelijk in zijn trouwe ogen en ging rustig bij hem zitten. ‘Ik wil het wel, maar ik mag het niet, u moet weten dat dit geen gewone repen zijn. Ze komen uit het land van Haveren en ieder die er te veel van eet zal meer groeien dan de bedoeling is. U moet weten dat we hier alles graag klein houden. Dat moet wel want anders passen we niet meer in onze schoenen, bedden en kleding. En als we niet oppassen dan kunnen we nooit meer naar buiten. Dan is de poort niet groot genoeg voor ons.’
Op hetzelfde moment hoorde onze koning een doffe plof. Zijn grote teen was zomaar door zijn schoen geschoten.
‘Kijk dat bedoel ik nou, daar begint de ellende al,’ sprak de vriendelijke mevrouw. ‘Misschien kunt u mij ondertussen snel vertellen wat u komt doen, ik heb namelijk nog veel te doen.’
‘Nou mevrouw, het zou mij heel erg helpen als u mij het adres kunt geven van het land van Haveren.’
 Ze schreef het op een papiertje en onze koning vertrok,
maar eerst kreeg hij nog een reep voor onderweg, die
hij pas buiten mocht opeten, en wat stro voor het gat in
zijn schoen.

Zo arriveerde onze koning in het land van Haveren, met zijn uitgestrekte velden. Zijn broek was te klein en zijn kiel te kort en een week later keerde hij terug naar huis. Zijn moeder stond al op de uitkijk en speurde nieuwsgierig in zijn tas.
‘Mijn lieve zoon, wat heb je meegenomen van je reizen?’ Verbaasd keek zij naar de groene stengels in zijn tas.
‘Ik heb haver gevonden. Toverhaver, waar je groeirepen van kunt maken. Het recept heb ik ook meegenomen, maar eerst moeten we de haver zaaien op de velden en in de herfst moeten we feestvieren omdat we kunnen oogsten.’ En zo geschiedde: het hele land deed mee en in augustus hingen overal vlaggen. De vrouwen van het dorp maakten de repen en iedereen at zijn vingers erbij op.
En onze koning? Onze koning paste zijn broek allang niet meer en zijn schoenen evenmin.
Hij had echter één klein ding over het hoofd gezien: alles om hem heen was met hem meegegroeid. Onze koning
zou altijd kleiner blijven dan de rest. Maar hij wist in ieder geval hoe het voelde om te groeien, en zo leefde hij nog lang en gelukkig.